VS voert AI chiptarieven in en roomt omzet van Nvidia en AMD af
In dit artikel:
De Amerikaanse regering heeft recent invoertarieven ingesteld op geavanceerde AI‑processors van onder meer Nvidia en AMD, zodat ongeveer 25% van de omzet die deze chips via verkoop aan Chinese klanten genereert, via tarieven naar de Amerikaanse schatkist vloeit. De maatregel richt zich op chips die eerst in de VS worden ingevoerd en daarna opnieuw worden verscheept, en maakt daarmee een eerdere beleidswijziging praktisch uitvoerbaar waarbij export naar China onder financiële voorwaarden weer mogelijk werd.
De heffingen zijn gekozen om juridisch steviger te staan dan directe afdrachtregels en leveren meteen inkomsten op uit een markt die lange tijd grotendeels werd afgesloten vanwege nationale veiligheidszorgen. Specifieke modellen zoals Nvidia’s H200 en AMD’s MI325X vallen onder de regeling; processors bedoeld voor de opbouw van binnenlandse AI‑infrastructuur zijn uitgezonderd om binnenlandse investeringen te stimuleren.
De stap maakt deel uit van een breder nationaal veiligheidsonderzoek naar halfgeleiders dat vorig jaar begon en waarbij de afhankelijkheid van buitenlandse productie — vooral uit Taiwan — centraal staat. Tegelijk zet Washington bedrijven onder druk om capaciteit naar de VS te brengen: Nvidia heeft enorme investeringen toegezegd en TSMC bouwt fabrieken in Arizona, maar Taiwan blijft voorlopig het hart van de meest geavanceerde productie.
In China is de reactie nog niet eenduidig; Peking stimuleert binnenlandse chips en er zijn meldingen van vertragingen bij inklaring. Voor fabrikanten betekenen de tarieven meer duidelijkheid maar ook hogere kosten en extra complexiteit, en voor de wereldwijde chipindustrie benadrukt dit beleid hoe technologie, handel en geopolitiek steeds sterker vervlochten raken.