Kan vibe coding bij de tijd blijven in de toekomst?
In dit artikel:
Vibe coding is een nieuwe werkwijze waarbij ontwikkelaars met hoog-niveau prompts AI-agents aansturen om code en interfaces te genereren op basis van een creatieve “vibe”. In de praktijk opent een ontwikkelaar bijvoorbeeld hun IDE, geeft een paar vage instructies aan een groot taalmodel (“bouw een modern dashboard”) en krijgt snel een UI, wat boilerplate en zelfs een bedacht /stats-eindpunt terug. Dat voelt aanvankelijk als magie, maar die magie brokkelt snel af zodra de gegenereerde onderdelen niet aansluiten op echte API-contracten, authenticatiemechanismen of dataschema’s die in het project aanwezig zijn.
Nearform’s hoofd AI, Cian Clarke, wijst op meerdere structurele problemen van vibe coding. Vage prompts leiden tot hallucinerende en verzonnen afhankelijkheden, omdat LLM’s context niet “begrijpen” maar probabilistisch vullen. Context windows kunnen fragmenten helpen, maar zijn geen blijvend architectonisch geheugen. Resultaat: technische schuld, rommelige codebases en kennis die in het hoofd van één maker of in vluchtige chatsessies blijft zitten. Dat creëert silo’s, maakt inwerken van nieuwe collega’s lastig en verlaagt reproduceerbaarheid en betrouwbaarheid — problemen die zakelijke impact hebben in de vorm van onvoorspelbare levering, gemiste deadlines en niet-afgestemde features. Vergelijkbare beloften uit het verleden (PowerApps, low-code/WYSIWYG) lieten soortgelijke governance- en versioning-problemen zien.
Als tegengif pleit Clarke voor spec-driven development (SDD): het expliciet coderen van productintentie als machinaal leesbare specificaties (API-contracten, datavormen, statusstromen, niet-functionele eisen en acceptatietests). SDD verandert vage vibes in heldere beperkingen waar zowel mensen als AI-agents op kunnen redeneren en verifiëren. In plaats van blind te vertrouwen op gegenereerde output, dwingt SDD vooraf nadenken over het “waarom” en het gewenste gedrag, wat latere herwerking voorkomt.
De technische workflow van SDD ziet er globaal zo uit:
1) Specificaties opstellen: stakeholders en senior engineers definiëren happy paths, foutcases, time-outs, API-contracten, security-eisen en acceptatiecriteria.
2) AI decomposeert: modellen vertalen die specs naar een gedetailleerde takenbacklog met expliciete afhankelijkheden en markeren wat parallel door agent-teams kan worden uitgevoerd.
3) Incrementele bouw: mensen en agents werken parallel aan gedefinieerde taken; de software groeit laag voor laag en onderdelen moeten aan de gespecificeerde orakels voldoen.
4) Testen: unit-, integratie- en acceptatietests bewaken dat veranderingen geen regressies introduceren en voldoen aan de oorspronkelijke specificatie.
Clarke benadrukt dat SDD de creativiteit niet ondermijnt, maar juist kanaliseert: developers schuiven op naar rollen met meer architecturale sturing, terwijl routinetaken door agents of scripted processen worden uitgevoerd. Daardoor kunnen engineers zich richten op gebruikerservaring, systeemontwerp en eigenaarschap van het grotere geheel in plaats van op het fixen van door AI veroorzaakte details.
Dit betekent ook een verschuiving in vaardigheden: context engineering wordt cruciaal. De moderne ontwikkelaar moet invarianties en contracten blootleggen en technische intentie begrijpelijk maken voor niet-technische stakeholders; die rol wordt soms “context engineer” genoemd. Vibe coding blijft waardevol voor snelle prototyping en vroege validatie, maar zodra iets productie- of schaalbaar moet worden, is SDD volgens Clarke de logische next step: herbouw op basis van machine-leesbare specificaties, stabiliseer schema’s en schrijf acceptatietests.
We zien al gereedschap en editors die op deze aanpak inzetten (plan-modi en AI-native workflows van teams als Anthropic). Kortom: het is tijd om minder te gokken en meer te specificeren — dansen mag nog steeds, maar zet de pasjes vast voordat het podium groter wordt.