Digitale soevereiniteit voelt goed, maar is het dat ook?

woensdag, 28 januari 2026 (11:40) - Techzine

In dit artikel:

Nederlandse overheidsorganisaties, bedrijven in vitale sectoren en veel publieke diensten zijn sterk afhankelijk van Amerikaanse cloudaanbieders zoals AWS, Azure en Google Cloud. Die afhankelijkheid staat sinds kort hoog op de politieke agenda, onder meer nadat IBM‑spin‑off Kyndryl eigenaar werd van Solvinity, beheerder van DigiD — een ontwikkeling die Tweede Kamerleden ongerust maakte. NOS‑data laten zien dat grofweg 90 procent of meer van gemeenten, onderwijsinstellingen, ziekenhuizen, provincies en media op enige manier Amerikaanse cloudservices gebruikt (van servers en e‑mail tot samenwerkingsmiddelen als Teams).

Volledige ontkoppeling van de Amerikaanse hyperscalers is technisch en organisatorisch geen simpele operatie. Duitse voorbeelden, zoals de deelstaat Sleeswijk‑Holstein die vanaf 2021 stappen zette om van Microsoft af te komen, laten zien dat migratie iteratief en langdurig is: sommige onderdelen (bijv. Exchange Server) verdwijnen, andere Windows‑ en SharePoint‑omgevingen blijven langer draaien. In de praktijk valt per component een open alternatief te vinden, maar dat betekent niet automatisch een zelfvoorzienende, Europese stack. Veel open‑sourceprojecten worden wereldwijd onderhouden, vaak door ontwikkelaars buiten Europa, en zo ontstaat een nieuwe afhankelijkheid die politiek niet altijd als ‘europees’ telt.

Er zijn wel Europese spelers (OVHcloud, Intermax, BIT), maar zij missen meestal het enorme ecosysteem, de schaal en het gebruiksgemak van Amerikaanse hyperscalers. Dat maakt het lastig om complexe, geïntegreerde oplossingen en services eenvoudig te vervangen: licenties, compatibiliteit, beschikbaarheid, schaalbaarheid en gebruikerservaring lopen veel risico’s. Cloudnative principes kunnen wel helpen om containerized workloads elders te draaien, maar dat zegt weinig over aanvullende diensten en expertise die migratie vereist. Bovendien stuiten budgettaire beperkingen en krapte op de arbeidsmarkt de uitbouw van lokale alternatieven vaak tegen de borst.

Ook de vraag “wat is soeverein?” blijkt lastiger dan gedacht. Moet hardware ook Europees zijn (chips van Intel/AMD uitgeschakeld)? Mag AI‑infrastructuur niet op Nvidia draaien? Welke Linux‑distributies vertrouwen we? Met een ruime definitie van soevereiniteit zou commerciële “European Sovereign Cloud”-aanbod van grote spelers al voldoende kunnen zijn; met een strikte definitie worden veel meer obstakels zichtbaar.

Risico’s van een snelle overstap zijn reëel: kleinere, lokale aanbieders hebben mogelijk niet de middelen om massale DDoS‑aanvallen, schaal‑ en performance‑vraagstukken of volwassen security en beheertools op te vangen. Dat verklaart mede waarom Amerikaanse spelers zo dominant werden: schaal, kapitaal en talent hebben geleid tot robuuste, geïntegreerde producten die niet eenvoudig te vervangen zijn.

Conclusie: veel Nederlandse organisaties zullen de komende jaren stapsgewijs naar grotere digitale autonomie streven, maar dit is geen kwestie van één vervanging of een korte operatie. Voor kleine organisaties kan migratie relatief eenvoudig zijn; voor grotere instanties vergt het jaren, extra expertise, meer budget en het dragen van aanzienlijke technische en operationele risico’s. Keuzes voor meer Europese of open oplossingen zijn verdedigbaar, maar werk en pijn blijven onvermijdelijk.