Benchmark - Testmethode thuisbatterijen: zo testen we plug-inbatterijen
In dit artikel:
Om thuisbatterijen eerlijk met elkaar te kunnen vergelijken, gebruikt de redactie een testopstelling die zelf een P1-signaal voor de slimme meter genereert. Daardoor krijgt iedere batterij exact dezelfde gegevens over stroomoverschotten en -verbruik, en kunnen metingen onder identieke omstandigheden worden herhaald. De batterijen worden softwarematig ingesteld op nul op de meter: ze moeten zoveel mogelijk zonne-energie opslaan en de uitwisseling met het elektriciteitsnet beperken.
Naast technische prestaties worden ook installatiegemak, de mogelijkheden van de app, offlinegebruik en integratie met een smarthome beoordeeld. De technische tests richten zich op vijf onderdelen.
Voor capaciteit en rendement wordt een batterij volledig geladen, ontladen en opnieuw geladen. De energie die daarvoor nodig is, geldt als bruikbare capaciteit. Dit gebeurt bij verschillende vermogens, waaronder 200, 500 en 800 watt, en bij het maximale vermogen van de batterij. Zo wordt de roundtripefficiëntie bepaald: het verlies tijdens zowel laden als ontladen. Een rendement van 80 procent betekent bijvoorbeeld dat van 5 kWh die wordt opgeslagen, 4 kWh bruikbaar terugkomt.
Met een trackingtest wordt nagegaan hoe goed een batterij wisselende vraag en aanbod volgt. De test is gebaseerd op echte meterdata en moet een dagprofiel met veranderende belasting nabootsen. De batterij krijgt de opdracht de meter op nul te houden. De afwijking wordt uitgedrukt in cumulatieve absolute afwijking, waarbij iedere afwijking van het ingestelde vermogen meetelt. Ook wordt onderscheid gemaakt tussen te weinig ontladen en te veel ontladen. De test wordt uitgevoerd met vermogensgrenzen van 800, 2500 en 3680 watt, zodat zowel batterijen met een lager als een hoger laad- en ontlaadvermogen kunnen worden vergeleken.
Verder worden de laad- en ontlaaddrempels vastgesteld. Het aangeboden vermogen wordt steeds met 2 watt per 30 seconden verhoogd, totdat de batterij begint te laden of ontladen. Een lage drempel kan helpen om meer zonne-energie te benutten, maar te vaak schakelen en lage efficiëntie bij kleine vermogens zijn nadelen waarmee fabrikanten rekening moeten houden.
De reactiesnelheid wordt afzonderlijk gemeten door het verbruik plotseling te laten wisselen tussen 200 en 2500 watt. Bij een constant basisverbruik van 50 watt wordt geregistreerd hoe lang de batterij nodig heeft om 90 procent van het gevraagde vermogen te leveren. Daarbij wordt ook gekeken naar overschrijdingen en ander afwijkend gedrag.
Voor de warmtetest wordt een batterij zes uur lang afwisselend een half uur geladen en een half uur ontladen, bij 800 watt en bij het maximale vermogen. Interne temperatuursensoren, warmtebeelden en eventuele vermogensafname bij oplopende temperaturen geven inzicht in de warmteontwikkeling. Ook het geluid van actieve koeling wordt op 50 centimeter afstand gemeten.
Tot slot bepaalt de redactie het eigenverbruik van het batterijsysteem, de communicatie en overige elektronica. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen energie uit de accu en stroom uit het net. Langdurige metingen in rust leveren een gemiddeld verbruik op. De methode is ontwikkeld om reproduceerbare en onderling vergelijkbare testdata te verzamelen; suggesties voor verdere verbetering zijn welkom.
Vandaag Inside: Nico Dijkshoorn vertelt over bizarre fascinatie; René van der Gijp weet niet wat hij hoort!